iconen van de post

1954 mantelpakje
mantelpakje

De kledinglijn uit 1954 speciaal ontworpen voor vrouwelijke postbesellers bestaat uit een wollen mantel, een rok en een laken alpinomuts. Een overhemd en een stropdas maken het uniform compleet.
De mantel is een geheel gevoerde tailleur voorzien van één rij met vier geel metalen uniformknopen met daarop het PTT-embleem. Het jasje heeft een liggende kraag met aflopende revers en is rondom rood gebiesd. Aan de voorkant zitten twee ingezette rechte zijzakken met rechte klep.
De wollen, tweebaans rok is aan de voorzijde voorzien van twee dunne stolpplooien.


eigenschappen materiaal wol, laken, metaal, katoen/viscose, kamgaren-serge en wol/viscose
fabrikant Buro, Rotterdam
in gebruik vanaf 1957

Rijkskledingbesluit 1954

Het Rijkskledingbesluit
Het mantelpakje voor de vrouwelijke besteller valt onder het tweede Rijkskledingbesluit uit 1954. In dit besluit van zijn onder meer richtlijnen opgenomen over de draagtijd en de vervanging van het uniform. Afhankelijk van het inkomen wordt op het salaris elke maand een vergoeding ingehouden. De redenatie hierachter was dat door het dragen van het uniform geld wordt uitgespaard op de eigen kleding.

Eerste vrouwelijke postbestellers
Pas in 1957 bezorgen de eerste zes vrouwelijke postbestellers post in Amsterdam. Dit was een tijdelijke oplossing, omdat er onvoldoende mannen beschikbaar waren voor het werk.


Rijkskledingbesluit 1954


over de vormgeving
1950 tot 1960

De vormgeving in Nederland kent in de jaren van wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog twee richtingen. Er zijn vormgevers die de draad van de vooroorlogse avant-garde oppakken en andere vormgevers zetten de illustratieve en artistieke lijn voort. F.S. Spanjaard, PTT's eerste esthetisch adviseur, benadrukt het artistieke. W.F. Gouwe, esthetisch adviseur van 1946 tot 1952, geeft ook plaats aan de klassieke typografie. Chris de Moor, esthetisch adviseur van 1952 tot 1963, zet de weinig opwindende en vooral illustratieve lijn voort.



Het beleid van Van Royen wordt na 1945 voortgezet door de Dienst voor Aesthetische Vormgeving (DAV, later DEV). In de tweede helft van de jaren veertig trekt de DAV ontwerpers aan van voor de oorlog en laat hen ontwerpen maken met een klassiek typografisch karakter.

Ook de ontwerpers van de series zomerzegels K. Brinks en E. Reitsma-Valenca worden teruggevraagd en maken de zomerzegels voor 1947 met daarin het portret van Van Royen. Het illustratieve zien we bij de kinderzegels van Andre van der Vossen en in de zomerzegels van 1949 van Paul Citroen, eerst een vurig Bauhausaanhanger, later illustrator en portrettekenaar.

De andere, meer functionele richting komt van fotografen als Eva Besnvo (kinderzegels 1947 met typografie van W. Brusse), die tot de vooroorlogse groep van antifascistische 'nieuwe fotografen' behoorde, evenals Cas Oorthuys die de kinderzegels van 1951 ontwerpt.

Chris de Moor is naast esthetisch adviseur ook schilder en maakt verschillende ontwerpen voor postzegels. De Moor tracht het beeld van de Nederlandse postzegel te beheersen door strenge regels voor het ontwerpen op te stellen, de 'twaalf geboden voor de postzegelontwerper', en door een 'postzegelopleiding' met een 'college' van twaalf heren die de ontwerpen van de studenten beoordelen.

Een nieuw punt in het vormgevingsbeleid is het toepassen en aankopen van kunstwerken. W.F. Gouwe koopt vrije grafische werken en aquarellen voor het aankleden van kantines. Het betreft veel reproducties, maar PTT koopt ook origineel werk van jeugdige Nederlandse talenten.


post & maatschappij
1950 tot 1960

Na de Tweede Wereldoorlog neemt het postverkeer toe. Toch dwingen ongunstige financiele ontwikkelingen de PTT in 1955 tot een grote reorganisatie. Vanaf 1955 worden avondposttreinen ingezet voor het postvervoer.



De post toont al snel na de oorlog weer een gunstig beeld. Dit geldt aanvankelijk niet voor de financien. Ondanks dat het postverkeer vrijwel elk jaar toeneemt, is het exploitatiesaldo voornamelijk negatief. Deze ontwikkeling hangt samen met het grote tekort aan arbeidskrachten en de stijging van de lonen.

De post streeft daarom naar een grotere doelmatigheid. Steeds duidelijker komt het bedrijfsmatige element naar voren. In deze ontwikkeling past ook de belangrijke reorganisatie van 1955. Er worden twaalf postdistricten gevormd, waaraan het bestuurscentrum in Den Haag bevoegdheden delegeert. Dit beperkt zich voortaan tot toezicht in algemene zin en coordinatie: de uitvoerende beslissingen laat het over aan de directeur van het district. Er is dus sprake van decentralisatie. Anderzijds vindt ook centralisatie plaats: de leiding van het district trekt bevoegdheden naar zich toe die vroeger bij de directeur van het postkantoor berustten.


  bron: www.iconenvandepost.nl
© TNT Post